| 11 december 2017 |

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen.

In geval van faillissement kunnen schuldeisers hun vordering indienen bij de curator. De curator plaatst de schuldeisers op een lijst van voorlopig erkende crediteuren en wanneer – kort gezegd – voldoende actief in de boedel aanwezig blijkt, worden de schuldeisers naar hun rangorde voldaan. Voor wat betreft deze rangorde kunnen worden onderscheiden separatisten, preferente schuldeisers en concurrente schuldeisers. Separatisten zijn schuldeisers met een zakelijk zekerheidsrecht (bij voorbeeld een hypotheekrecht). Preferente schuldeisers zijn het UWV, de Belastingdienst en werknemers met een loonvordering van vóór het uitspreken van het faillissement. Deze schuldeisers krijgen hun vorderingen voldaan vóór de concurrente schuldeisers. Schuldeisers met een concurrente faillissementsvordering worden uitbetaald uit het eventueel overgebleven boedelactief naar rato van hun vordering en derhalve krijgen zij meestal slechts een klein gedeelte van hun vordering uitgekeerd. Daarnaast zijn er nog schuldeisers met een zogenaamde boedelvordering. Boedelvorderingen zijn vorderingen van schuldeisers die zijn ontstaan na de faillietverklaring door toedoen van de curator én vorderingen die door de wet als boedelvordering worden gekwalificeerd. De meest bekende boedelvordering is het salaris van de curator, maar ook loonschulden vanaf het moment van faillietverklaring vallen hieronder. Een boedelvordering wordt onmiddellijk (dat wil zeggen: voordat betaling aan de hiervoor genoemde schuldeisers – in volgorde van hun rang – plaatsvindt) uit de boedel voldaan voor zover er voldoende actief in de boedel aanwezig is.

De Hoge Raad beantwoordt kort gezegd de vraag of niet-genoten vakantiedagen die zijn opgebouwd vóór het faillissement van werkgever een boedelvordering betreft en of de curator een werknemer in dit verband kan dwingen zijn vakantiedagen op te nemen om te voorkomen dat het een boedelvordering wordt. Het belang bij de aan de Hoge Raad voorgelegde vraag is duidelijk: als de aanspraak van de werknemer een boedelvordering is, heeft hij de grootste kans op betaling van zijn vordering.

Achtergronden.

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 april 2014 is de besloten vennootschap Scholte Transport Distributie B.V. uit Leiden failliet verklaard. Het UWV heeft bij brieven van 21 juli, 7 september en 26 november 2014 haar vorderingen bij de curator ingediend. Een gedeelte van deze vorderingen, te weten ruim € 163.000, heeft betrekking op betalingen die zijn gedaan uit hoofde van vergoeding wegens – in hoofdzaak – vóór faillissement niet-genoten vakantiedagen van werknemers van de failliete vennootschap. Het UWV is in de vorderingen van de werknemers gesubrogeerd op grond van de loongarantieregeling. De curator betwist dat sprake is van een boedelvordering, voor zover het de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen betreft van verlof dat is opgebouwd vóór datum faillissement.

Het UWV maakt vervolgens haar vordering jegens de curator aanhangig bij de rechtbank Den Haag. De door de rechter te beantwoorden vraag is of op grond van artikel 40 lid 2 Faillissementswet (Fw) (art. 40 lid 4 (oud)) de vordering in verband met een vergoeding ter zake niet-genoten vakantiedagen van de dag van de faillietverklaring af een boedelvordering vormt voor zover deze betrekking heeft op vakantiedagen die zijn opgebouwd vóór de dag van de faillietverklaring.

Voor wat betreft de hiervoor genoemde vraag stelt het UWV zich op het standpunt dat het arrest van de Hoge Raad van 3 december 1999 nog steeds geldend recht is. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad: “(…) De aan het einde van de dienstbetrekking voor het recht op vakantie in de plaats komende aanspraak op een uitkering in geld behoort als loon in de zin van de art. 7A:1638 en 7A:1638q (oud) BW (thans art.7:616 onderscheidenlijk 7:625) te worden aangemerkt (HR 6 maart 1998, nr.16550, NJ 1998,527). Het begrip loon in de zin van art. 40 lid 4 F. wijkt, getuige ook de geschiedenis van deze wet, niet af van het begrip loon in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge art. 40 lid 4 F. vormt een zodanige uitkering derhalve van de dag der faillietverklaring af een boedelschuld. De aanspraak op die uitkering ontstaat, ongeacht of deze betrekking heeft op vakantieaanspraken opgebouwd vóór de dag der faillietverklaring dan wel op nadien opgebouwde aanspraken, eerst bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nu die beëindiging hier heeft plaatsgevonden na de dag der faillietverklaring, is de uitkering in geld niet slechts boedelschuld voor zover zij betrekking heeft op vakantieaanspraken opgebouwd vanaf die dag, zoals de Rechtbank heeft geoordeeld, maar in haar geheel (…)”.

De curator daarentegen stelt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2013 volgt dat hetgeen de Hoge Raad in voormeld arrest uit 1999 heeft geoordeeld, niet meer als geldend recht kan worden aangemerkt. In zijn arrest uit 2013 heeft de Hoge Raad drie categorieën schulden als boedelschulden aanmerkt: schulden die door de wet als zodanig zijn aangemerkt, schulden die door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan en schulden die een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. De curator stelt in de onderhavige procedure dat door dit laatste arrest en de herdefiniëring daarin van boedelschulden twijfel is ontstaan over de vraag of de aanspraak uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen nog steeds als boedelschuld kan worden aangemerkt.

Prejudiciële vragen.

De rechtbank legt hierover vragen voor aan de Hoge Raad; zogenaamde prejudiciële vragen. De Hoge Raad heeft deze vragen op 17 november 2017 beantwoord.

De Hoge Raad oordeelt, kort gezegd, dat bij faillissement van de werkgever de vergoeding voor niet-opgenomen vakantiedagen – opgebouwd voor en na faillissementsdatum – te gelden heeft als boedelschuld. De Hoge Raad is hierover bij de beantwoording van bovenstaande vragen heel duidelijk geweest.

Klik hier voor de vragen die de rechtbank voorlegde en de beantwoording door de Hoge Raad

I: Gelden, na het arrest van 19 april 2013, nog steeds de oordelen van de Hoge Raad als verwoord in zijn arrest van 3 december 1999 dat:

  1. de aan het einde van de dienstbetrekking voor het recht op vakantie in de plaats komende aanspraak op een uitkering in geld als loon behoort te worden aangemerkt (in de zin van de artikel 7A:1638 en artikel 7A:1638q (oud) BW (thans artikel 7:616 onderscheidenlijk 7:625 BW));
  2. het begrip loon in de zin van de Faillissementswet (artikel 40 lid 2 Fw (artikel 40 lid 4 (oud)) niet afwijkt van het begrip loon in de zin van het Burgerlijk Wetboek ( (artikel 7:616 en 7:625 van) het Burgerlijk Wetboek);
  3. een zodanige aanspraak van de dag van faillietverklaring een boedelschuld vormt, zowel indien deze betrekking heeft op vakantiedagen opgebouwd vóór de dag van faillietverklaring als op nadien opgebouwde vakantiedagen (op grond van artikel 40, lid 2 Fw (artikel 40, lid 4 oud))?

II Kwalificeert het recht van een werknemer op een uitkering in geld ten aanzien van niet-genoten vakantiedagen, opgebouwd vóór datum faillissement, als een voorwaardelijke verbintenis, die geverifieerd kan worden, waardoor deze niet kwalificeert als boedelvordering noch als algemene faillissementskosten (respectievelijk artikel 40, lid 2 en artikel 182 Faillissementswet)?

III Zo niet, mag de curator in het belang van (de staat van) de boedel bij de opzegging van een arbeidsovereenkomst van de werknemer verlangen om de niet-genoten vakantiedagen gedeeltelijk of in hun geheel op te nemen en geen aanspraak op uitkering in geld te maken, om het aangaan en het ontstaan van boedelschuld te voorkomen?

Voor wat betreft vraag I en II overweegt de Hoge Raad dat de oordelen uit het arrest uit 1999 erop neer komen dat (i) bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de aanspraak op uitkering in geld wegens niet-genoten vakantiedagen dient te worden aangemerkt als loon (in de zin van art. 7:616 en 7:625 BW), (ii) het begrip loon in de Faillissementswet (artikel 40 lid 2) niet afwijkt van het begrip loon in het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:616 en 7:625), en (iii) deze aanspraak op uitkering in geld wegens niet-genoten vakantiedagen derhalve door wetsduiding een boedelschuld is, ook voor zover deze aanspraak is opgebouwd vóór de dag van faillietverklaring.

Van deze oordelen uit het arrest uit 1999 is de Hoge Raad niet teruggekomen in het arrest uit 2013. Uit dit laatste arrest volgt dat de Faillissementswet drie categorieën schulden als boedelschulden aanmerkt: schulden die door de wet als zodanig zijn aangemerkt, schulden die door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan en schulden die een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. De onderhavige schuld behoort tot de eerste categorie. De verdere overwegingen van het arrest uit 2013 hebben geen betrekking op deze categorie schulden. De Hoge Raad ziet dan ook geen  aanleiding om terug te komen van de oordelen uit het arrest uit 1999, die derhalve het geldende recht weergeven. Dit betekent dat de eerste prejudiciële vraag in al haar onderdelen (a-c) bevestigend wordt beantwoord en dat de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord.

Vraag III strekt ertoe te vernemen of de curator bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst de werknemer in het belang van (de staat van) de boedel kan verplichten de niet-genoten vakantiedagen geheel of gedeeltelijk op te nemen ter voorkoming van het ontstaan van de boedelschuld die voortvloeit uit diens aanspraak op uitkering in geld (artikel 40, lid 1 Fw). In dit verband overweegt de Hoge Raad dat de wet regels bevat omtrent de wijze van vaststelling van vakantie in een arbeidsovereenkomst. Bij de vaststelling van aanvang en einde van vakantie zijn de wensen van de werknemer uitgangspunt. In geval van gewichtige redenen is hierop een uitzondering mogelijk. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat bij een dergelijke gewichtige reden gedacht moet worden aan de situatie dat het opnemen van vakantie een ernstige verstoring van de bedrijfsvoering van de werkgever zou teweegbrengen en, bij een afweging van belangen, het belang van de werkgever om het verzoek om vakantie af te wijzen zo zwaar is dat het belang van de werknemer daarvoor redelijkerwijs moet wijken. Met de strekking van dit wettelijk stelsel is niet verenigbaar dat de werknemer door de curator van de gefailleerde werkgever met het oog op het belang van de boedel zou kunnen worden gedwongen tot het opnemen van vakantiedagen. De curator kan dus niet langs deze weg beletten dat de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst jegens de boedel zijn recht uitoefent op uitbetaling van niet-genoten vakantie in geld. Hiermee heeft de Hoge Raad de derde prejudiciële vraag ontkennend beantwoord.


Mocht u met een dergelijke situatie te maken hebben en vragen hebben, kunt u vanzelfsprekend altijd contact met ADVOCURA opnemen.