| 21 februari 2018 |

Het is vaste rechtspraak dat een uitspraak van een tuchtrechter niet automatisch leidt tot civiele aansprakelijkheid. In zijn arrest van 22 september 2017 heeft de Hoge Raad dit nog eens bevestigd.

Achtergronden.

Deze zaak betreft de beroepsaansprakelijkheid van een accountant.

Eiser had een bedrijf dat zich voornamelijk bezig hield met het importeren van bloemen uit met name Zimbabwe en Kenia (“het Bedrijf”). Teneinde zelf bloemen te gaan kweken, heeft het Bedrijf met een partner in Kenia (“Partner”) een joint venture opgericht (“JV”). Het Bedrijf en de JV participeerden hierin ieder voor 50%. In 2009 ontstonden er problemen rond de financiering van de investering van het Bedrijf in de JV en in de relatie tussen het Bedrijf en de Partner. In dit kader hebben eiser en de Partner eind 2009 een overeenkomst gesloten, waarbij eiser de aandelen van de Partner in de JV zou overnemen. Deze overeenkomst zou worden ontbonden als het Bedrijf de financiering niet voor de overeengekomen datum rond zou krijgen. Bij het aantrekken van financiering voor deze transactie is een adviseur (“Adviseur”) betrokken geweest, die echter op verschillende momenten een valse voorstelling van zaken blijkt te hebben gegeven. Uiteindelijk is geen financiering verkregen en is het Bedrijf failliet gegaan. Ook is een ten behoeve van de transactie uit de privé-middelen van eiser gedane aanbetaling van € 240.000,- niet terugbetaald.

De accountant, althans het kantoor waar hij werkzaam was, heeft sedert de oprichting van het Bedrijf werkzaamheden voor het Bedrijf verricht. Bij het oplossen van het conflict met de Partner had de accountant een adviserende rol.

In deze zaak stelt eiser de accountant en diens werkgever aansprakelijk voor beroepsfouten die zouden zijn gemaakt bij de advisering van het Bedrijf. Het aan verwijt houdt – kort gezegd – in dat de accountant onzorgvuldig heeft geadviseerd en dat hij onvoldoende heeft gewaarschuwd voor bepaalde risico’s. Eiser vordert onder meer veroordeling van de accountant en het accountantskantoor tot betaling van € 240.000,- (de aanbetaling) en schadevergoeding op te maken bij staat.

Accountantskamer.

Eerder oordeelde de Accountantskamer op basis van een door eiser jegens de accountant ingediende klacht dat de accountant onvoldoende deskundig en zorgvuldig te werk is gegaan. Kort samengevat oordeelde de tuchtrechter dat aan de accountant kon worden verweten dat hij op geen enkel moment in het traject aanleiding had gezien vraagtekens te plaatsen bij de handelwijze van de Adviseur en dat hij zich onvoldoende kritisch had opgesteld in de contacten met de Adviseur en de door hem voorgestelde financiers.

Civiele procedure.

In de civiele procedure hebben zowel rechtbank als hof de vorderingen van eiser afgewezen. Daartoe is door het hof – kort gezegd – overwogen dat geen sprake is van onrechtmatig handelen en dat de gestelde schade niet als een gevolg van een eventuele tekortkoming aan de accountant kan worden toegerekend. In cassatie komt eiser tegen die beide pijlers van het oordeel op.

De Hoge Raad bevestigt eerst de bestaande rechtspraak, namelijk dat bij de beoordeling van deze klacht tot uitgangspunt dient dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat is gehandeld in strijd met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm. Indien de rechter afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter, dient hij zijn oordeel zodanig te motiveren dat het, ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter, voldoende begrijpelijk is.

Dit laatste heeft het hof echter, aldus de Hoge Raad, onvoldoende gedaan. De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof in het licht van de uitspraak van de Accountantskamer niet voldoende begrijpelijk is. Het hof heeft – in het voetspoor van de Accountantskamer – tot uitgangspunt genomen dat de accountant onvoldoende kritisch tegenover de Adviseur en de door laatstgenoemde voorgestelde financiers is geweest. Het heeft vervolgens geoordeeld dat de daardoor geleden schade in redelijkheid niet aan de accountant kan worden toegerekend. De gronden die het hof daarvoor heeft gegeven, kunnen dat oordeel zonder nadere motivering evenwel niet dragen.

De door het hof genoemde omstandigheden dat de Adviseur zichzelf bij het Bedrijf en eiser heeft gemeld, dat de Adviseur een vergoeding van € 10.000 per maand ontving, dat de Adviseur kennelijk erg overtuigend overkwam en gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen om de waarheid te verbloemen, dat eiser zelf nooit aan de Adviseur heeft getwijfeld, en dat niet is komen vast te staan dat alle door de Adviseur aangedragen financiers verzonnen waren, maken niet begrijpelijk waarom deze schade in de verhouding tussen eiser en de accountant volgens het hof in het geheel niet aan de accountant is toe te rekenen. Of de schade (deels) aan de accountant is toe te rekenen hangt immers in het bijzonder ervan af of van de accountant in de concrete omstandigheden van dit geval had mogen worden verwacht dat hij eiser voor het (mogelijk) onrechtmatig handelen van de Adviseur waarschuwde, en wat de gevolgen van die waarschuwing dan (vermoedelijk) zouden zijn geweest. Het hof heeft daarover niets vastgesteld, hoewel de stellingen van eiser daartoe wel aanleiding gaven. Daarbij is van belang dat eiser erop heeft gewezen dat de accountant – blijkens diens verklaringen in de procedure bij de Accountantskamer – op de hoogte was van het dubieuze zakelijke verleden van de Adviseur, en dat het hof heeft overwogen dat de gemaakte kosten mogelijk (deels) zouden zijn voorkomen als tijdig zou zijn ontdekt dat de Adviseur niet deugde.

De overwegingen van het hof dat de accountant geen verwijt treft omdat geen van de betrokkenen enige argwaan had, en dat de accountant op dit terrein geen bijzondere expertise heeft, vormen in dit verband evenmin een toereikende motivering. Het hof heeft immers – in het voetspoor van de Accountantskamer – tot uitgangspunt genomen dat de accountant onvoldoende kritisch is geweest, en heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe zijn oordeel dat er geen grond is voor verwijtbaarheid zich verdraagt met hetgeen volgens de uitspraak van de Accountantskamer van de accountant verwacht had mogen worden.

De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest van het hof en verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing door naar een ander gerechtshof.

Slotsom.

Kortom, het oordeel van een tuchtregel dat in strijd is gehandeld met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels betekent nog niet dat ook sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Indien echter de rechter afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter, dient hij zijn oordeel zodanig te motiveren dat het, ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter, voldoende begrijpelijk is.

Wordt u geconfronteerd met een beroepsaansprakelijkheidszaak en wenst u hierover nader advies? ADVOCURA staat u graag bij.