| 19 april 2018 |

Veel werkgevers hebben het idee dat zij moeten opdraaien voor de door een werknemer tijdens het werk geleden schade, terwijl zij omgekeerd weinig kunnen doen wanneer een werknemer schade veroorzaakt aan werkgever. De rechtbank Rotterdam oordeelt in een recente uitspraak duidelijk: werknemer handelt zodanig verwijtbaar dat naast ontslag op staande voet zonder toekenning van enige vergoeding tevens plaats is voor een verplichting de schade van werkgeefster te vergoeden.

Achtergronden.

Werknemer was als teamleider werkzaam bij een werkmaatschappij van een coöperatie van telers (werkgeefster). Deze coöperatie van circa 85 leden legt zich toe op de ontwikkeling, teelt en afzet van voornamelijk glasgroenten en heeft als belangrijkste taak het zorgen voor verbinding en samenwerking tussen de bij haar aangesloten telers en de aan haar verbonden handelsbedrijven (de ketenpartners).

De samenwerking tussen werkgeefster en de ketenpartners is de laatste jaren onder druk komen te staan, waardoor het onderlinge vertrouwen is verslechterd. Om de samenwerking te verbeteren is werkgeefster in 2016 samen met de ketenpartners aan een strategische heroriëntatie begonnen. Dit proces heeft geresulteerd in een aangepaste koers.

Tijdens het proces van de strategische heroriëntatie, in de periode tussen 13 juni 2017 en 31 oktober 2017, heeft werkgeefster verschillende anonieme brieven ontvangen, steeds afkomstig van eenzelfde adres. De brieven waren alle ondertekend met ‘de bezorgde teler’ of een benaming van die strekking. De brieven gaan in grote lijnen over de verhouding tussen werkgeefster en de ketenpartners. Er wordt kritiek geuit op de visie van de directie van werkgeefster en ‘de bezorgde teler’ uit zijn zorgen over de toekomst van de organisatie en de telers die daarbij aangesloten zijn. In een van de brieven heeft ‘de bezorgde teler’ gedreigd om, als het bestuur van werkgeefster niet onmiddellijk zou opstappen, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (‘RVO’) in te schakelen.

In opdracht van werkgeefster heeft een bedrijfsrecherchebureau onderzoek verricht naar de identiteit van de ‘bezorgde teler’. In het verslag van de rechercheurs wordt de conclusie getrokken dat het zeer waarschijnlijk gaat om werknemer. Werknemer is met de bevindingen geconfronteerd en vervolgens op staande voet ontslagen. In de bij de rechtbank Rotterdam gevoerde procedure stelt werknemer dat de aantijgingen onjuist zijn en vordert hij (omdat hij al elders een dienstbetrekking heeft gevonden) betaling van een billijke vergoeding, alsmede van de transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. Werkgeefster op haar beurt verzoekt om vergoeding van de door haar geleden schade, bestaande uit de kosten van de bedrijfsrecherche.

De kantonrechter acht het voldoende bewezen dat werknemer de schrijver van de anonieme brieven is geweest. De door werkgeefster aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten leveren naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op voor het aan werknemer gegeven ontslag op staande voet. Werknemer heeft met zijn handelwijze het vertrouwen van werkgeefster onherstelbaar geschonden. Werknemer wist dat de verhouding tussen de ketenpartners onder druk stond en dat werkgeefster zich inspande om de onderlinge relatie en samenwerking te verbeteren. Van werknemer mocht mede gelet op zijn positie verwacht worden dat hij het belang van werkgeefster voorop zou stellen en zou bijdragen aan de verbetering van de relatie met de ketenpartners. Werknemer heeft het tegendeel gedaan en heeft de belangen van werkgeefster ernstig geschaad. Door het sturen van de brieven heeft werknemer verwarring, onrust en wantrouwen veroorzaakt binnen de onderneming van werkgeefster. De toch al gespannen verhouding tussen de ketenpartners en werkgeefster is onnodig op scherp gezet. Van weknemer had mede gelet op zijn vertrouwensrelatie met werkgeefster verwacht mogen worden dat, als hij het met de koers van werkgeefster niet eens was, dit op een open een eerlijke wijze met werkgeefster te bespreken. Door ook nog eens te dreigen om naar de RVO te stappen als het bestuur niet onmiddellijk zou opstappen, heeft werknemer volstrekt onaanvaardbaar gehandeld. Ook het naar buiten brengen van bedrijfsinformatie valt werknemer zwaar aan te rekenen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer hiermee misbruik gemaakt van zijn positie en het vertrouwen van werkgeefster en heeft hij zijn verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst ernstig geschonden. De kantonrechter wijst die hierboven vermelde vorderingen van werknemer dan ook af.

Aansprakelijk voor schade werkgeefster.

Werkgeefster stelt dat werknemer schade aan haar heeft toegebracht waarvoor hij op grond van artikel 7:661 BW dan wel 6:74 BW aansprakelijk is jegens werkgeefster. Werkgeefster diende een onderzoek te starten naar de identiteit van de schrijver van de anonieme brieven. Werkgeefster stelt dat deze kosten kwalificeren als schade in de zin van artikel 6:96 BW. Werkgeefster vordert onder meer veroordeling van werknemer tot betaling van deze kosten.

De kantonrechter is van oordeel dat werkgeefster de noodzaak van het inschakelen van een bedrijfsrecherchebureau voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Werkgeefster werd geconfronteerd met anonieme brieven waardoor onrust, verwarring en wantrouwen ontstond tussen werkgeefster en de ketenpartners. Bovendien werd de toon van de brieven steeds feller, er werd zelfs gedreigd met het inschakelen van de RVO als het bestuur niet onmiddellijk zou opstappen. Werkgeefster had er daarom belang bij zo snel mogelijk de identiteit van de ‘bezorgde teler’ vast te stellen. Herhaalde verzoeken om zijn identiteit te onthullen en in gesprek te gaan leverden niets op. Werkgeefster had geen andere mogelijkheden om de identiteit vast te stellen. Het bedrijfsrecherchebureau heeft haar factuur gespecificeerd. De kantonrechter acht de gemaakte kosten redelijk. De onderzoekskosten komen als schade voor vergoeding in aanmerking. De kantonrechter ziet geen aanleiding het gevorderde bedrag te matigen.

Slotsom.

Het uitgangspunt is dat een werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever (of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade gehouden is), daarvoor niet jegens de werkgever aansprakelijk is. Dit is bepaald in artikel 7:661 BW. Ditzelfde artikel bepaalt vervolgens dat dit anders is wanneer de schade een gevolg is van de opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit laatste vormt voor werkgevers een forse drempel om schade vergoed te krijgen van een werknemer. Zo is in de rechtspraak wel een lijn te ontdekken dat schade als gevolg van lichtvaardige onvoorzichtigheid of onoplettendheid (bijvoorbeeld het onbeheerd achterlaten van een laptop in de auto) niet door de werknemer hoeft te worden vergoed. Dit is duidelijk anders indien sprake is van een misdrijf. Echter, in veel situaties zal – hoewel het handelen verwijtbaar is – geen sprake zijn van een daadwerkelijk misdrijf.

Hoewel de kantonrechter in de onderhavige kwestie het gedrag van de werknemer niet aanduidt als opzettelijk of bewust roekeloos, wordt het wel zodanig onaanvaardbaar geacht dat de door werkgeefster geleden schade door werknemer vergoed dient te worden.

Heeft u met een soortgelijke kwestie te maken of twijfelt u of bepaalde schade door werknemer vergoed dient te worden, neemt u dan contact op met ADVOCURA. Wij adviseren u graag.