| 4 juli 2018 |

Werknemer is als geldtransporteur werkzaam bij G4S. In de arbeidsovereenkomst is de volgende voorwaarde opgenomen: “De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan onder de voorwaarde dat werknemer van overheidswege schriftelijk toestemming heeft verkregen voor het uitvoeren van de functie van beveiliger. Het intrekken van deze toestemming of het anderszins vervallen van de vereiste toestemming, is voor werkgever een geldige reden voor het (doen) beëindigen van de arbeidsovereenkomst, al dan niet met onmiddellijke ingang.

Op enig moment wordt werknemer als verdachte aangemerkt bij een overval. De voor werknemer verleende toestemming voor tewerkstelling bij G4S als bedoeld in artikel 7 lid 2 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) is door de politie ingetrokken. G4S heeft werknemer de volgende dag met een beroep op de ontbindende voorwaarde bericht dat zijn arbeidsovereenkomst is beëindigd. Werknemer heeft in deze procedure verzocht G4S te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding.

De vraag of een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst toelaatbaar is, is al vaker onderwerp van geschil geweest. In grote lijnen kan gesteld worden dat de rechter een dergelijke voorwaarde in de arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering geldig acht en van geval tot geval dient te worden bezien of de normale regels voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst te verenigen zijn met de ontbindende voorwaarde, waarbij het onder meer aankomt op de aard, inhoud en context van de voorwaarde. Hierbij wordt onder meer meegewogen of het intreden van de voorwaarde binnen de macht van de werkgever ligt (subjectief is) dan wel objectief bepaalbaar is.

Kort samengevat, komt het oordeel van de kantonrechter erop neer dat niet kan worden gezegd dat G4S het initiatief heeft genomen de arbeidsovereenkomst met werknemer te (doen) beëindigen. Het intrekken van de vereiste wettelijke toestemming voor de uitoefening van de functie van werknemer maakt dat hij, op grond van artikel 7 Wpbr, niet langer in zijn functie te werk gesteld mag en kan worden. Nu dit als voorwaarde voor het bestaan van een arbeidsrelatie tussen werknemer en G4S schriftelijk is overeengekomen en die voorwaarde niet langer wordt vervuld, is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd. Van belang hierbij is dat G4S geen invloed heeft gehad op de intrekking van de toestemming door de korpschef en aldus geen grip heeft (gehad) op vervulling van die opgenomen voorwaarde in de arbeidsovereenkomst. Bovendien heeft G4S, wiens kerntaak het is (geldvervoer) te beveiligen, ter zitting nader aangevoerd dat voor al haar medewerkers geldt dat zij in bezit dienen te zijn van (een bepaalde vorm van) toestemming in de zin van de Wpbr. Onder die omstandigheden heeft G4S dan ook geen keuze om de arbeidsovereenkomst al dan niet met werknemer voort te zetten of hem een andersoortig dienstverband (binnen haar organisatie) aan te bieden. Het voorgaande betekent dat, nu niet kan worden gezegd dat de arbeidsovereenkomst door G4S is beëindigd, niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder een transitievergoeding kan worden toegekend. Voorts geldt dat er nog steeds een serieuze verdenking rust op werknemer van een niet gering strafbaar feit. Derhalve kan evenmin gezegd worden dat het niet toekennen van een transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op dit moment jegens werknemer onaanvaardbaar zou zijn. Klik hier voor de volledige beschikking van de rechtbank.