| 18 september 2018 |

De wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst voorziet niet in gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Volgens het wettelijk stelsel wordt een arbeidsovereenkomst slechts in haar geheel opgezegd of ontbonden. Bij de regeling van de transitievergoeding is hierbij aangesloten: een transitievergoeding is alleen verschuldigd als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. In de wet is niet voorzien in een aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding in het geval van een vermindering van de arbeidsduur. In zijn arrest van 14 september 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder omstandigheden de mogelijkheid van gedeeltelijk ontslag met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding wel moet worden aanvaard.

Kort gezegd, ging het in deze zaak om een docent van wie de aanstelling na twee jaar ziekte wordt gewijzigd van vrijwel voltijds in een aanstelling voor 55%. De docent verzocht de kantonrechter om een transitievergoeding toe te kennen, wat gedeeltelijk is gebeurd. In hoger beroep heeft het gerechtshof geoordeeld dat de vermindering van de aanstelling niet heeft te gelden als opzegging, en kent geen transitievergoeding toe.

De Hoge Raad overweegt dat ook al voorziet het wettelijk stelsel hierin niet, de mogelijkheid van gedeeltelijk ontslag met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding wel moet worden aanvaard voor het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer. Hierbij valt te denken aan het noodzakelijkerwijs gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden en aan blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

Hierbij speelt een rol dat de hoogte van de transitievergoeding wordt berekend over het laatstgenoten loon. Indien de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding in de hiervoor bedoelde gevallen niet zou worden aanvaard, zou de werknemer door een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd een deel van de transitievergoeding mislopen waarop hij bij een algehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst op dat moment aanspraak zou hebben. De werknemer zou bij een na die vermindering plaatsvindende algehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst immers een op aanmerkelijk lagere grondslag berekende transitievergoeding ontvangen dan zonder die vermindering het geval zou zijn geweest. Gedeeltelijk verval van een arbeidsplaats door bedrijfseconomische omstandigheden of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid mogen blijkens het wettelijk stelsel niet voor rekening van de werknemer komen. Mede gelet daarop is geen rechtvaardiging te geven voor het mislopen door de werknemer van het bedoelde gedeelte van de transitievergoeding. In deze gevallen heeft een werknemer dan ook aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding.

Als praktisch handvat heeft de Hoge Raad nog meegegeven dat het bij een substantiële vermindering van de arbeidstijd gaat het om een vermindering van de arbeidstijd met ten minste twintig procent; bij een structurele vermindering van de arbeidstijd om een vermindering die naar redelijke verwachting blijvend zal zijn.