In zijn arrest van 28 mei 2021 heeft de Hoge Raad de vraag beantwoord of betaling van een vervalste factuur op rekening van de fraudeur bevrijdend is.

In deze zaak speelt het geval waarin de koper van een hoeveelheid metaal een betaling heeft verricht op basis van een door een onbevoegde derde vervalste e-mail met factuur, waardoor de koopsom niet door de verkoper is ontvangen. De verkoper vordert alsnog betaling van de koper. De koper stelt zich op het standpunt van betaling bevrijd te zijn. Het hof heeft geoordeeld ten gunste van de koper. In cassatie oordeelt de Hoge Raad als volgt.

Wanneer iemand door zich valselijk als een ander voor te doen iets voor die ander verklaart – in deze zaak het aanwijzen van een bankrekening voor betaling – geldt als uitgangspunt dat die ander zich tegen degene tot wie de verklaring is gericht (hierna: de geadresseerde), erop kan beroepen dat de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer de geadresseerde heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de verklaring wel van die ander afkomstig was. Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de artikelen 3:35 BW, 3:36 BW, 3:61 lid 2 BW en artikel 6:147 BW vloeit evenwel voort dat dit onder omstandigheden anders kan zijn. Deze omstandigheden moeten dan wel van dien aard zijn dat zij rechtvaardigen dat aan degene voor wie valselijk iets is verklaard, geheel of ten dele wordt toegerekend dat geadresseerde de verklaring voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. De omstandigheden kunnen dus ook van dien aard zijn dat het slechts in een bepaalde mate aan degene voor wie valselijk is verklaard, moet worden toegerekend dat de geadresseerde gerechtvaardigd op die verklaring heeft vertrouwd, en dat dit voor het overige voor rekening en risico van de geadresseerde blijft.

Bij de hiervoor bedoelde beoordeling kan onder meer een rol spelen in hoeverre partijen adequate voorzorgsmaatregelen hebben genomen om te voorkomen dat een derde in staat is zich voor een van hen uit te geven. In verband daarmee mag in voorkomend geval van partijen worden verwacht dat zij uiteenzetten welke inspanningen zij zich hebben getroost om te achterhalen op welke wijze de derde zich valselijk als een van hen heeft kunnen voordoen en wat deze inspanningen hebben opgeleverd.

Het hof heeft geoordeeld dat zich in deze zaak omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat aan eiseressen in cassatie wordt toegerekend dat verweerster in cassatie de vervalste factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Dit oordeel kan, verweven als het is met een waardering van feiten en omstandigheden, in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Het oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.