De compensatieregeling beoogt de praktijk van het slapende dienstverband te beëindigen. Hoewel het inmiddels bestendige jurisprudentie is dat het in stand houden van een slapend dienstverband geen ernstige verwijtbaarheid noch schending van de normen van goed werkgeverschap oplevert, zijn er recent op dit punt tegengestelde vonnissen gewezen en zelf prejudiciële vragen gesteld.

In ons blog van 1 augustus 2018 schetsten wij kort de achtergronden van het slapend dienstverband en bespraken wij het toen recent door de Eerste Kamer aangenomen wetsvoorstel Compensatie transitievergoeding zieke werknemers.

Vaste lijn in de jurisprudentie is dat een werkgever niet verplicht kan worden het dienstverband met een langdurig zieke werknemer te beëindigen. De wet kent een dergelijke verplichting ook niet. Een werkgever handelt niet ernstig verwijtbaar wanneer hij het dienstverband in stand laat; evenmin is dan sprake van handelen in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap.

Het wetsvoorstel Compensatie transitievergoeding zieke werknemers voorziet in een compensatie van werkgever door het UWV voor de transitievergoeding die werkgever betaalt na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met een langdurig zieke werknemer (dit geldt ook met terugwerkende kracht tot 2015 voor aan zieke werknemers betaalde transitievergoedingen).

Uit recente uitspraken volgt dat sommige rechters de bestaande lijn handhaven, terwijl andere rechters de nieuwe – nog niet geldende – situatie als uitgangspunten nemen.

Zo wees de kantonrechter van de rechtbank Overijsel een verzoek van werknemer tot betaling van de transitievergoeding af. Werknemer was op 16 juli 2001 in dienst getreden van werkgever en is met ingang van 30 juni 2015 wegens ziekte uitgevallen voor werk. Werknemer ontvangt met ingang van 16 augustus 2016 een IVA-uitkering. Werknemer heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht wegens een verstoorde arbeidsverhouding onder toekenning van de transitievergoeding, daartoe stellende dat werkgever niet als goed werkgever handelt en verwijtbaar nalatig is door de arbeidsovereenkomst in stand te laten. In dit verband voerde werknemer nog aan dat werkgever ook geen enkel belang hierbij had, nu werkgever de transitievergoeding ingevolge de Wet compensatie transitievergoeding volledig gecompenseerd zou krijgen.

De kantonrechter oordeelde dat het tot de keuzevrijheid/beleidsvrijheid van een werkgever behoort om een arbeidsovereenkomst met een werknemer die meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is door opzegging te beëindigen. Er bestaat daartoe ook geen wettelijke verplichting. De invoering van de Wet compensatie transitievergoeding maakt dat niet anders. Bovendien is het nog niet geheel zeker dat de Wet compensatie transitievergoeding ook daadwerkelijk per 1 april 2020 wordt ingevoerd. Voorts staat inmiddels vast dat een verzoek tot toekenning van een compensatie ook niet eerder dan 1 april 2020 zal kunnen worden ingediend. Dat betekent dat een werkgever zeer aanzienlijke bedragen aan uitgekeerde transitievergoedingen moet voorfinancieren zonder dat vaststaat wat de termijn is waarbinnen zij daarvoor geheel of gedeeltelijk via het UWV wordt gecompenseerd. Tegen die achtergrond kan thans niet gezegd worden dat werkgever geen rechtens te respecteren belang heeft om vóór inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding slapende dienstverbanden als de onderhavige niet te willen beëindigen. Vooralsnog moet dan ook worden geconcludeerd dat werkgever niet ernstig verwijtbaar handelt door thans het dienstverband met werknemer slapend te houden.

Anders oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. Onder verwijzing naar voormeld wetsvoorstel Compensatie transitievergoeding zieke werknemers oordeelde de voorzieningenrechter dat mocht worden afgeweken van de eerdere – hierboven geschetste – lijn in de jurisprudentie en dat derhalve het niet opzeggen van een slapend dienstverband – met in dit geval een terminaal zieke werknemer – in strijd is met goed werkgeverschap, mede gelet op de uitdrukkelijke bedoeling wetgever bij de Wet compensatie transitievergoeding om voortbestaan van slapende dienstverbanden tegen te gaan.

 Doordrongen van de omvang en ernst van de problematiek van de slapende dienstverbanden, maar ook verwijzend naar de bestendige lijn in de jurisprudentie, de nog weinig concrete rol van het wetsvoorstel Compensatie transitievergoeding zieke werknemers alsmede de tegenstrijdige uitspraken, heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg – alvorens in een kwestie ter zake een slapend dienstverband te beslissen – prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. In het kort komen deze vragen op het volgende neer.

In 2008 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een werknemer verplicht kan zijn om een voorstel van de werkgever tot wijziging van de arbeidsovereenkomst te aanvaarden in verband met gewijzigde omstandigheden op het werk. Een van de vragen is nu of dit arrest ook geldt in de spiegelbeeldige situatie waarin de werknemer in verband met gewijzigde omstandigheden een wijzigingsvoorstel doet aan de werkgever. Wanneer deze vraag bevestigend beantwoord wordt, is de vraag of het ook kan gaan om een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. De vervolgvraag is of de combinatie van langdurige arbeidsongeschiktheid en de verwachting dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden een gewijzigde omstandigheid opleveren, die voor de werknemer aanleiding kan zijn om een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te doen, welk voorstel de werkgever moet accepteren. De laatste vraag die de kantonrechter in dit verband heeft voorgelegd aan de Hoge Raad is of de werkgever dan een transitievergoeding moet betalen ter hoogte van het bedrag dat hij kan claimen bij het UWV.

De Hoge Raad zal zich hierover nu eerst moeten uitspreken. Vanzelfsprekend houden wij u op de hoogte over de ontwikkelingen.